Cuba's groen revolutionair experiment

Als je naar Cuba reist, zal je er niet naast kunnen kijken: Cuba is een ecologisch paradijs. Van het uiterste Westen tot het diepe Oosten, er valt altijd één of ander natuurfenomeen te ontdekken.

We mogen wel nooit vergeten dat dit paradijs er niet a priori is. Het heeft heel wat inspanningen gekost om deze ecologisch waardevolle gebieden te beschermen. Is Cuba er in een duurzame ontwikkeling geslaagd, in respect met de natuur?

WWF (World Wide Fund for Nature) gelooft van wel. De milieuorganisatie brengt jaarlijks een rapport uit over de ecologische toestand van de planeet, getiteld “Living Planet”. Ironisch genoeg wordt onze planeet steeds minder leefbaar. Het rapport stelt dat de ergste vervuilers ook de rijkste zijn : US, Canada, de Europese Unie, Japan, Australië en Nieuw Zeeland zijn bijvoorbeeld verantwoordelijk voor 50% van de CO2 productie.
 

Maar in het rapport staat ook dat Cuba het enige land is dat een niveau van duurzame ontwikkeling heeft kunnen bereiken. Het eiland haalde goede punten door het feit dat Cuba het enige land in de wereld is met een hoog niveau van sociale ontwikkeling, met goede gezondheids- en onderwijssystemen, en tegelijkertijd niet meer verbruikt dan duurzaam is. Een opmerkelijk resultaat voor een arm land dat al 50 jaar onder een economische blokkade van de VS moet leven.

Herbebossing en bescherming van ecologisch waardevolle gebieden

Sedert de revolutie van 1959 heeft Cuba werk gemaakt van bescherming en regeneratie van de natuurlijke omgeving die kapot was gemaakt door eeuwen kolonialisme en imperialisme. Toen Christopher Columbus arriveerde in 1492 was het land voor 90% met bos bedekt. In 1959 was dit nog maar 13,4%. Vanaf het begin van de revolutie begon men reeds met de eerste herbebossingscampagne en de bosoppervlakte gestegen van tot ondertussen 25%.

Vandaag is Cuba een must voor de eco-toerist. Er zijn 23 nationale parken, zoals het bekende park ‘Topes de Collantes' met haar nevelwouden. Cuba beschikt over meer dan 6300 botanische soorten, waarvan 51% inheems en beschermd. Ecotoerisme is een trendy begrip geworden , maar de Cubaanse overheid promoot ecotoerisme niet omwille van de modegril maar omdat ze gelooft dat de toeristen en de Cubaanse gemeenschap samen moeten werken aan een betere bescherming van de natuur.

Het prachtige strand van Varadero was ooit een uitgestrekt natuurgebied met mangrovebossen. Omdat toerisme de grootste inkomstenbron is hebben projectontwikkelaars recentelijk forse delen van de mangrove verwijderd voor hotelfaciliteiten. Gelukkig doet de Cubaanse overheid echt haar best om het evenwicht tussen toerisme en ecologie te bewaren. Op het Schiereiland van Varadero is er bijvoorbeeld een ecologisch reservaat ingericht. De Cubaanse kust- en mangrovegebeiden dragen niet voor niets de titel " kroonjuweel van Caraïbishce zeebiodiversiteit" . Dit komt omdat ze een belangrijk toevluchtoord vormen voor honderden soorten vissen en zeedieren, waarvan er veel uit de rest van de Caraïben zijn verdwenen.

Biologische landbouw

Wellicht is dit resultaat ook te danken aan de landbouwsector die voornamelijk organisch is en geen gebruik maakt van toxische pesticiden en meststoffen. Voor de val van de Sovjet-Unie was het Cubaanse landbouwsysteem zowat gelijk aan dat van zovele andere derdewereldlanden: grootschalige mechanisatie en veelvuldig gebruik van oliederivaten als pesticiden en meststoffen voor de productie van hun exportproducten:suiker en tabak. Met als enige verschil dat Cuba voor haar meststoffen en andere productiemiddelen niet afhankelijk was van het Westen, maar van de toenmalige Sovjet-Unie (Voor voedsel was Cuba voor 57% afhankelijk van het Sovjet-blok)

De handelsvoorwaarden voor Cuba waren echter veel voordeliger dan voor de rest van de derdewereldlanden, die afhankelijk waren van het Westen. Cuba ontving bijvoorbeeld 5,4 keer de gemiddelde marktprijs voor suiker. De petroleumleveringen als gedeeltelijke betaling voor de suiker lieten Havana toe om met de doorverkoop van de olie buitenlandse deviezen binnen te halen. Dit bracht Cuba in de jaren 1980 tot een betrekkelijk hoog industrialiseringsniveau en tot het best scorende Latijns-Amerikaans land qua aantal dokters per capita, cijfers voor kindersterfte en scholarisering in het secundair onderwijs. Toch waren de gevolgen voor het milieu van dergelijk beleid waren in Cuba even vernietigend als ergens anders.

Toen de Sovjet-Unie implodeerde in 1991 kreeg de Cubaanse economie van de ene dag op de andere bijzonder rake klappen: petroleuminvoer daalde met 53%; tarwe, rijst en andere voedselimporten zakten met meer dan 50% en de beschikbaarheid van meststoffen en pesticiden met 80%. Veralgemeende honger, zelfs hongersnood, dreigde. In de eerste jaren 1990 was de gemiddelde dagelijkse calorieën- en proteïne-opname van de Cubaan 30% minder dan in de vorige tien jaar. Door gebrek aan petroleum waren er stroomonderbrekingen en enorme transportmoeilijkheden. Net in die periode maakte de VS de blokkade strikter. In 1992 implementeerde ze de Cuba Democracy Act, in 1996 gevolgd door de bekende “Helms-Burton Act”. Het embargo verbiedt Amerikaans of ‘Amerika-vriendelijke' bedrijven om Cuba voedsel en medicijnen te verkopen.

De Cubaanse regering kondigde in 1991 de Speciale Periode in Vredestijd af, waardoor het land in een soort oorlogseconomie terecht kwam. Na een algemeen publiek debat over het ganse land waarin miljoenen Cubanen betrokken werden, besliste men om de hoge-imput-landbouw te vervangen door een landbouw met lage input die enkel op basis van de eigen beschikbare middelen functioneerde.

Deze fundamentele wijziging was dus het rechtstreekse gevolg van het wegvallen van de handel met de Sovjet-Unie. Toch was die niet mogelijk geweest dankzij de enorme investeirngen van de Cubaanse overheid in menselijk kapitaal en onderzoek. Jonge academici in het ministerie van landbouw en aan de universiteiten werden zowel beïnvloed door het groeiend ecologisch bewustzijn in het Westen en hadden scherpe kritiek op het geërfde landbouwbeleid. Tijdens de speciale periode hadden ze de weg vrij om alternatieve landbouwmethodes en ander vormen van landgebruik te promoten. Biomeststoffen, zoals compost, en het gebruik van worm-composteren moesten de chemische meststoffen vervangen. biopesticiden kwamen in de plaats van de synthethise pesticiden. Men stapte over van grote staatsondernemingen, naar een politiek van kleinschalige boerderijen. Om de omschakeling vlot te laten verlopen lanceerde men een programma “Mens én Landbouw” dat stadsboerderijen- en tuinen promootte en grote ondernemingen verdeelde in kleinere coöperatieven. In Havana, is meer dan 90% van het verse voedsel afkomstig van die lokale bio- stadstuintjes.

De gegevens over Cuba geslaagde groene revolutie bestaan zwart op wit. WWF is geen obscure pro-communistische organisatie , maar één van de bekendste milieuorganisaties ter wereld. Toch werden hun conclusies over Cuba, nauwelijks in de pers of in het politieke debat besproken. Cuba's groene experiment ligt gevoelig. De Cubaanse organische landbouw betekent een gevaar voor de belangen van de agro-industrie. Grote transnationale ondernemingen, zoals Monsanto, blijven de mythe onderhouden dat zonder hun producten de arme landen onmogelijk de eigen bevolking zullen kunnen voeden, of de productie van exportgewassen aan kunnen houden. Het voorbeeld van Cuba toont echter het omgekeerde: arme landen kunnen voedselzekerheid bereiken zonder 'hulp' van multinationals.