Hoe bezoekt men best een socialistisch land?
In het aprilnummer van Monthly Review, een marxistisch blad uit de VS, verscheen een interessant artikel van Richard Levins, docent menselijke ecologie aan de Harvard School of Public Health en adjunct-onderzoeker aan het Cubaanse Instituut voor Ecologie en Systematiek.
Koffers en andere bagage
In zijn artikel gaat hij in op de manier waarop een Noord-Amerikaan (en bij uitbreiding een Europeaan) een land als Cuba bezoekt. Die bezoeker zeult misschien maar één koffer mee, maar toch ook een hele ideologische bagage, vol clichés over Cuba, over communisten, met een overtuiging over hoe een goede maatschappij er moet uitzien en met een hele reeks opvattingen over macht, regering en menselijk gedrag. Klinkt dat bekend in de oren?
Levins begint met het verschil tussen een georganiseerde en een individuele reis. Groepsreizigers hebben een geplande reisroute. Ze zullen vanalles leren over gezondheidszorg, cultuur, sport, enz. En al die informatie zal ook kloppen en tonen tot wat een klein en arm land in staat is. Maar het is natuurlijk niet het hele verhaal.
Zijn eigen ervaring leerde hem dat de meest toegewijde revolutionairen de meest ernstige, alomvattende en diepgaande kritieken maken, terwijl anderen meestal over de specifieke ongemakken en onaardige voorvallen klagen.
Toeristen die op hun eentje rondlopen komen minder in aanraking met de verwezenlijkingen waarop de Cubanen trots zijn en meer met de ontevredenheid. En Cubanen klagen nu eenmaal graag, ook al zijn ze voor Fidel.
Lijstjes
Bezoekers van Cuba hebben soms een lijstje bij zich waarop ze hun waarderingscijfer geven over gezondheidszorg, seksisme, racisme, vervuiling, homofobie, verkiezingen, vrije pers, enz. Kortom een heleboel a priori's over het socialisme. Meestal gaan die evaluatoren niet met mensen praten die representatief zijn voor de Cubanen. Ze nemen vooral of zelfs uitsluitend hun of onze vermeende kennis en interesses als uitgangspunt.
Soms zien of horen toeristen de context niet. Levins geeft het voorbeeld van een toeriste die zei dat de televisie in haar hotel alleen buitenlandse zenders toonde, waarin ze een bewijs van censuur en totalitarisme zag. Wat ze niet wist, was dat er op dat ogenblik (in de Speciale Periode) door de brandstofbeperkingen en dito stroom helemaal geen nationale uitzendingen waren…
Telescoop en microscoop
Het socialisme is geen ding maar een proces waarin mensen de politieke macht gebruiken om hun gemeenschappelijke noden te lenigen. Let wel, het gaat hier niet om een ongebreidelde individuele consumptie van goederen en energie, maar vooral om de sociale consumptie, de voorzieningen voor gezondheidszorg, onderwijs, sport, cultuur, enz.
Vanuit een ‘telescopisch’ gezichtspunt bekijken we de betekenis op wereldvlak van de pogingen om niet alleen het kapitalisme maar ook een hele klassenmaatschappij door een mildere, rechtvaardigere en duurzamere levensstijl te vervangen, waarbij we op heel wat historisch gegroeide gewoontes en opvattingen botsen.
Vanuit een ‘microscopisch’ gezichtspunt hebben we oog voor de dagelijkse beslommeringen, moeilijkheden en tekortkomingen van die pogingen. Cuba kent geen echte daklozen, maar ongeveer 16% van de huizen voldoet niet aan de normen. En je kunt wel duizenden mensen een job in het onderwijs geven, maar leraar zijn is meer dan een kwestie van opleiding, waardoor er ook velen hun baan na een tijdje voor iets anders inruilen.
We hebben zowel de telescoop als de microscoop nodig om te begrijpen dat de socialistische weg complex is, met zigzaggen en tegenstellingen, omdat de deelnemers verschillende belangen hebben en op verschillende manieren op de gebeurtenissen reageren, verschillen in kennis en doelstellingen, op korte en lange termijnandere perspectieven hebben. De strijd voor het socialisme is dus zeer heterogeen. En wanneer de zaken niet lopen zoals men wenst, kan het volk zich ook tegen het hele proces gaan keren.
Levins haalt de Duitse revolutionaire Rosa Luxemburg aan: we bouwen aan de toekomst met materiaal en mensen uit het verleden. Heldendom en opoffering bestaan naast afgunst en ambitie, solidariteit naast seksisme. (De Cubaanse vrouwen noemden hun mannen “revolutionair op straat, reactionair thuis”)
Sommigen kunnen zelfs denken dat ze na al die jaren van opofferingen en gevaar wel een paar voorrechten hebben verdiend. Revoluties kunnen zowel door buitenlandse als binnenlandse krachten ten val worden gebracht. Toegevingen aan het kapitalisme kunnen niet alleen noodmaatregelen zijn maar ook de moraal en de toewijding ondermijnen.
Veranderingen
Een beleid verandert omdat de omstandigheden veranderen. Het is dus niet gewoon een kwestie van “hervormers” of “pragmatici” versus “ideologen” of hardliners, zoals sommige commentatoren het graag uitleggen.
De voedselrantsoenen zorgden ervoor dat het weinige dat men had eerlijk verdeeld werd. Maar bij een groter aanbod kan het een goede verdeling juist tegenwerken. Als je maar beperkte middelen hebt, moet je prioriteiten stellen. Internet voor iedereen, of vooral voor de professionals die het echt nodig hebben, omdat de internetkosten torenhoog oplopen? Voorzieningen alleen voor toeristen, om het geld dat dit oplevert in ziekenhuizen en scholen te investeren. Het socialisme heeft zijn eigen interne logica, waarbij niet de individuele behoeften maar de sociale behoeften op de eerste plaats komen. Daarom is "efficiëntie” onder het kapitalisme niet hetzelfde als onder het socialisme. Onder het kapitalisme kan een bedrijfssluiting met duizenden afdankingen perfect in het systeem passen, terwijl het onder het socialisme nu eenmaal geen optie is. Zo werden tijdens de crisisjaren tienduizenden Cubanen niet afgedankt maar kregen ze een andere job of opleiding met behoud van een groot deel van het vroegere loon.
Levins geeft een andere interessante vergelijking: in de VS reageerde men op de economische crisis door o.a. de scholen duurder te maken en de opties te beperken. In Cuba deed men precies het omgekeerde: men investeerde juist meer in onderwijs, want dat betekende investeren in de toekomst.
Ideaal en werkelijkheid
In elke maatschappij en instellingen bestaat er een kloof tussen de doelstellingen en de realiteit. Levins verwoordt het zo: priesters zondigen, politielui begaan misdrijven, boeddhistische generaals leiden oorlogen.
Het socialisme opbouwen is dikwijls veel moeilijker dan we ons inbeelden, en het is vaak een zowel frustrerende als inspirerende bezigheid. Het gaat er om de tekortkomingen te erkennen en te begrijpen, ze te leren analyseren en manieren vinden om ze te overwinnen. De kwestie is het kind (socialisme) niet met het badwater (de problemen, fouten, …) weg te gooien, en die strijd te voeren om de revolutie vooruit te helpen, niet om het de rug toe te keren.
Democratie
Levins wijdt een belangrijk stuk van zijn betoog aan het vraagstuk van de democratie. Hij legt uit hoe de participatieve democratie een consensusmodel is, wars van onze traditionele model van ideologische veldslagen en het spel van meerderheid en oppositie. Maar hij wijst ook op de problemen: politicus zijn in Cuba is een veeleisende job, en het is dikwijls frustrerend om te moeten uitleggen waarom men een probleem voorlopig niet kan oplossen.
Hij wijst ook een aantal pijnpunten aan: door drie generaties blokkade en vijandigheid vanuit de VS ontstaat er een zekere bunkermentaliteit. Daarmee wil hij niet gezegd hebben dat de VS de schuld van alle problemen draagt, maar het is wel een factor waarmee je rekening moet houden. De nood aan eenheid, om aan één zeel te trekken, maakt het soms ook moeilijk om een onderscheid te maken tussen een meningsverschil en een vijandige daad.
Levins stelt ook dat veel progressieven een hekel hebben aan strakke, gecentraliseerde beslissingsmechanismen. Maar, wat plaatselijk goed is, is daarom niet goed voor het hele land. Er bestaat ook een illusie dat centrale planning betekent dat er eenvormige richtlijnen zijn voor elke plaats, ongeacht de omstandigheden, terwijl het evengoed kan betekenen dat men de diversiteit coördineert. Hij maakt de vergelijking met de geneeskunde, waar je ook algemene principes en behandelingen hebt, maar waar je wel van de individuele patiënt vertrekt.
Een ander aspect van de democratie vind je bij de vakbonden. Vanuit ons conflictmodel verwachten we dat vakbonden tégen de regering moeten ageren. Maar in Cuba is er een breed overleg, op alle niveaus. Op de vraag waarom je er geen arbeiders piket aan de ingang van het nationaal parlement ziet staan, antwoordt hij dat je net zomin bankiers of managers voor het Witte Huis ziet betogen, omdat ze wel weten dat hun stem binnen goed vertegenwoordigd is…
Hij heeft het ook nog over bureaucratie, media en persvrijheid.
Kritiek
Tot slot legt hij uit wat hij bedoelt met “revolutionaire kritiek”. Je moet de dingen niet klakkeloos aanvaarden, maar zijn vertrekpunt is er wel een van 100% solidariteit, een onvoorwaardelijke verdediging van de revolutie tegen alle pogingen om de kapitalistische uitbuiting en imperialistische overheersing te herstellen. Maar, zegt hij, kritiek moet vooral de revolutie willen versterken. En hij reikt daarbij drie sleutels aan: kritiek vanuit een positie van steun en samenwerking, kritiek op basis van kennis van zaken en omstandigheden, en kritiek heeft ook een theoretische basis nodig om te verhinderen dat we ons door de directe praktijk laten overweldigen.
Je vindt het artikel op www.monthlyreview.org/100401levins.php. En ook onze reisbrochure “Cuba, een andere reis is mogelijk” (beschikbaar via de shop) geeft je heel wat nuttige tips om misverstanden en toeristische valkuilen te vermijden.
- Artikel Type:
