Regis Debray: De man die teveel zei

Bij de maffia wordt “il baccio della morte”(de doodskus) gegeven door een maffiose” peter”aan die leden van de familie waarvan de terechtstelling beslist werd. Het bezoek van Régis Debray(1)aan het Boliviaanse maquis kreeg achteraf de eigenschap van een doodskus:  een korte tijd later zal het uitmonden in de verbeten klopjacht op Ché en zijn gemene executie.

Hoewel er een schijn van onzekerheid hangt over de verklaringen van de een en de ander in deze sombere zaak, de latere loopbaan van Régis Debray in de geheime machtsinstellingen, zijn onbeheerst appetijt voor ronkende titels, zijn relaties met de Franse geheime diensten,......Zijn wraakzuchtige verklaringen tegen de Cubaanse revolutie en tegen de persoon van Ché Guevara heffen alle twijfel op over de cynische aard van deze afvallige en zijn aanleg om zich aan te passen in functie van de omstandigheden en de tijdsgeest.

De vroegere”guerrillero”, verdwaald in het Boliviaanse woud, de latere presidentiële raadgever is immers geheel thuis in de Parijse salons. Van voorzitterschap naar opdracht, van opdracht naar voorzitterschap(2) is Régis Debray een gewillige dienaar van de “linkse” en rechtse machtscentra. Hij speelde in 2004 een eersterangsrol bij de ontvoering, de opsluiting en de gedwongen verbanning van de Haïtiaanse president Jean-Bertrand Aristide. Zoals een geprivilegieerd getuige, de Franse historicus en filosoof Claude Ribbe het preciseert(3).

De bevestiging van de aanwezigheid van Ché in Bolivia, als leider van de guerrilla, is een sleutelelement dat diens einde versneld heeft. Het liet de contrarevolutionaire eenheden toe hun aantal te versterken en hun strijdkrachten te concentreren in de aangeduide perimeter. De aanwezigheid van Ché werd geheim gehouden. Ook al waren er vermoedens: het resultaat van enkele indiscreties. Diegene die gesproken heeft maakte van deze hypothese een zekerheid. Meer nog: de troepen van Ché hadden zich gesplitst om het vertrek van de twee “gasten”, Régis Debray en Ciro Bustos tot een goed einde te brengen en zullen zich niet meer kunnen verenigen. Welke inspanningen ze ook deden.

Tegenover de kinderachtige en onverantwoorde haast van “Danton”(Debray's oorlogsnaam) om de guerrilla op staande voet te verlaten, stemt Ché er toch mee in om de jonge Franse filosoof en de Argentijnse schilder te laten “uitfilteren”. Dat ondanks de ongunstige situatie. Debray en Bustos werden in Camiri aangehouden en zonder pardon ondervraagd door de Bolivianen en de agenten van de CIA. Drie jaren later zal Debray vrijgelaten worden na een presidentiële gratie, het resultaat van een koehandel tussen de Boliviaanse en de Franse autoriteiten en van de wens van president Charles De Gaulle.

Van de rol van ijdele procureur, die sluwtjes de zgn. fouten van zijn gezellen in de verf zet en zonder mededogen Ciro Bustos beschuldigt, gaat Debray over naar de rol van aangeklaagde, die er van verdacht wordt Ché te hebben verraden om de inschikkelijkheid van zijn cipiers te krijgen. Zijn verdedigingslinie loopt onveranderd langs de aanklacht van zijn onfortuinlijke metgezel. ”Ik heb gesproken nadat ik geconfronteerd werd met bewijzen die van Bustos kwamen” zegt hij.

De eerste om de schuldige loslippigheid van Régis Debray vast te stellen is niemand minder dan Ché zelf. Op 30 juni benadrukt hij in zijn dagboek: ”Debray heeft meer gezegd dan nodig, hoewel we niet weten welke gevolgen dat heeft, noch welke de omstandigheden waren waarin hij gezegd heeft dat wat hij gezegd heeft”. Bij de datum van 10 juli kan men ook lezen: ”De verklaringen van Debray zijn niet goed. Vooral omdat het bekentenissen waren over het continentaal doel van de guerrilla. Iets wat hij niet moest doen”.

Walter Flores, zijn eigen advocaat, had in mei 1967 een brief gestuurd naar de Boliviaanse pers waarin hij bevestigt dat zijn cliënt verklaard had: ”Ché zou teruggekeerd zijn naar Bolivia langs Santa Cruz in november 1966. Hij was vermomd en had het hoofd geschoren. Hij kwam naar Bolivia met een welomschreven missie: een opstandige haard doen ontstaan, die op lange termijn een brede beweging, ter bevrijding van Latijns Amerika, zou mogelijk maken”.
De vroegere Cubaans-Amerikaanse CIA-agent, Felix Rodriguez Mendeguita, die een actieve rol heeft gehad bij de moord op Ché, onthult in een 1989 verschenen boek, getiteld”Shadow Warrier”: ”De Fransman was grondig ondervraagd over zijn missie en had alles wat hij wist over de operaties van Ché aan de Bolivianen en de CIA verteld”(4).

Gary Prado Salmon, de kapitein die het bevel voerde over de eenheid die Ché gevangen heeft genomen, verklaart zonder enige dubbelzinnigheid: ”Voor ons was het niet belangrijk te weten wie het eerst gesproken had. Maar bij de militairen wist men goed dat het Debray was. Ik heb zelf al de ondervragingen gelezen. Van bij het begin bevestigde hij dat dat Ché Guevara in Bolivia was en dat hijzelf daar alleen als journalist gekomen was om hem te interviewen”.

Voor Aleida Guevara, de dochter van Ché, is er zelfs geen schaduw van twijfel dat Debray ”meer heeft gezegd dan nodig was” en dat dit feit onmiddellijk leidde tot de dood van de legendarische revolutionair(5).

Dankzij een machtig net van vriendschappelijke relaties, dat al in die tijd bestond, is Debray er in gelukt om zijn versie van de feiten door te drukken en zijn verraad handig te verbergen. Mijnheer Régis Debray, bijzonder veelschrijver, breedvoerig prater rad van tong, brutale fraseur heeft duidelijk de grootste moeite om te zwijgen. Zelfs wanneer de situatie het eist.


(1)Régis Debray, geboren te Parijs in 1940, is filosoof, letterkundige en hoog Frans ambtenaar. Hij is bekend om zijn funeste rol bij de geurrilla van het E. N. L. (Ejercito Nacional de Liberacion)in Bolivia onder leiding van Ché Guevara. Hij schreef in dit verband ”Révolution dans la Révolution? Lutte armée et lutte politique en Amérique Latine”. Hij is anderzijds de stichter van een gedachtestroming die hij “médiologie” noemt. 
(2) Claude Ribbe, Le "rôle positif" de Régis Debray en Bolivie et en Haïti

(3) Felix Rodriguez, John Weissman, Shadow Warrior, Simon & Schuster Ltd, 1992.

(4) Eduardo Febbro, la historia de Régis Debray, Pagina/12,
 

Le Grand Soir

vert.: Lucien Lamair