Weg met de programma’s voor een regimewissel in Cuba

Fulton Armstrong

Terwijl Alan P. Gross, onafhankelijk medewerker van USAID, zijn tweede jaar in een Cubaanse gevangenis ingaat vanwege “geheime activiteiten ter promotie van de democratie”, eiste Jay Carney, woordvoerder van het Witte Huis, zijn vrijlating en voegde er zich verkneukelend aan toe: “De Cubaanse autoriteiten zijn er niet in geslaagd Gross in te zetten voor hun eigen doelstellingen.” De boodschap is eenvoudig: Gross is onze pion, en niet die van de Cubanen.

Doorheen de zaak van Gross waren de signalen vanuit de Amerikaanse regering maar al te duidelijk. Naar Havana toe: “Er wordt niet onderhandeld”. Naar Gross toe: “Pech gehad!”. En naar de Amerikanen toe die denken dat ons beleid van de laatste vijftig jaar moet herbekeken worden: “Geen sprake van”.

“Wanneer een geheime actie van de CIA op een sisser afloopt en een geheimagent wordt gearresteerd, werkt de Amerikaanse regering een strategie uit om over zijn vrijlating te onderhandelen. Gaat het om een geheime medewerker van USAID, dan vervalt Washington in retoriek, gooit nog meer geld tegen het in diskrediet gebrachte programma aan en weigert elk gesprek.

Drie jaar lang was ik de belangrijkste onderzoeker van de senaatscommissie Buitenlandse Zaken met betrekking tot de politieke operaties van dat ministerie en van USAID in Cuba en elders in Latijns-Amerika. De programma’s voor Cuba – opgezet voor het lokaliseren, organiseren, trainen en mobiliseren van Cubanen om politieke verandering te eisen – zijn bijzonder problematisch en houden onder andere verduistering, wanbeleid en systematische politisering in. Sommige successen, die miljoenen aan belastinggeld hebben opgeslorpt, zoals het opzetten van een netwerk van “onafhankelijke bibliotheken”, werden extreem overdreven of gefabriceerd.

Een toezichtcommissie moet erover waken dat de fondsen – zowat 20 miljoen dollar per jaar maar die in 2009 opliepen tot 45 miljoen dollar – doeltreffend en in overeenstemming met de Amerikaanse wetgeving worden aangewend. Het ministerie van Buitenlandse Zaken en USAID werkten ons voortdurend tegen en weigerden zelfs basisinformatie over de programma’s door te geven. Vaak bezorgden ze ons enkel een document dat in vage bewoordingen verwees naar de “programmadoelstellingen”.

Onze geheime diensten waren niet bij deze programma’s betrokken maar de geheimhouding er rond, de clandestiene werkwijze (o.a. de inzet van moderne coderingstechnologieën) en de opzettelijke verzwijging van de rol van de Amerikaanse regering deed ze toch wel heel erg op geheime operaties lijken. Wij vroegen nooit naar de namen van hun agenten op het eiland, maar de programmamanagers beweerden dat “er slachtoffers zouden vallen” als we zelfs maar de namen kenden van hun “partners” in de VS.

De programma’s waren in Cuba echter geen geheim. De Cubaanse regering was er diep in geïnfiltreerd. Wij hadden geen idee wie Allan P. Gross was en het ministerie van Buitenlandse Zaken ontkende na zijn arrestatie inderdaad heftig dat hij een van hen was. Enkele van onze diplomaten in Havana dachten zelfs dat hij voor de CIA werkte. Maar het was duidelijk dat de Cubanen wisten waarmee hij bezig was. Op de Cubaanse televisie was zelfs een video te zien van andere medewerkers in actie op het eiland.

Alan Gross met vrouw en dochters

Alleen Gross kan zeggen wat hij wist over de Cubaanse wetgeving terwijl hij zijn contract ter waarde van 585.000 dollar uitvoerde, onder andere bestaande uit vijf bezoekjes aan Cuba. Hij heeft gezegd dat hij “bedrogen” was. Wij bevestigden dat het ministerie van Buitenlandse Zaken en USAID de medewerkers die zulke geheime opdrachten uitvoeren niet op de hoogte stellen van het feit dat die activiteiten illegaal zijn in Cuba. Net zomin als van het feit dat de Amerikaanse wet niet-geregistreerde buitenlandse agenten de toestemming weigert om in het land rond te reizen met satellietapparatuur, WiFi-hotspots met groot bereik, coderingsmateriaal, telefoonuitrusting en geldelijke steun.

Het regeringsbeleid bestaat erin dat Cubaanse ontvangers niet op de hoogte worden gesteld van de afkomst en het doel van de hulp – tenzij ze er rechtstreeks om vragen. Sommige Cubanen kunnen het natuurlijk raden, maar de gevolgen van geheimhouding zijn aanzienlijk, vooral nu de nieuwe programma’s ook mikken op kinderen van amper 12 jaar, in een land dat uitdrukkelijk de ontvangst van fondsen uit de VS verbiedt.

USAID blijkt dus een geheime soldaat te zijn die anti-Amerikaanse regimes over heel de wereld moet ondermijnen – zonder rekenschap te moeten afleggen, wat de geheime diensten wel moeten doen. De programma’s mikken expliciet op een regimewissel. In plaats van steun te verlenen via de onderwijs- en cultuuroverheden, stonden de regeringen van Bush en Obama erop alleen te verwijzen naar de Helms-Burton “Libertad Act”, die een post-Castro-toekomst voor Cuba voorschrijft.

Herhaalde malen gingen stemmen op om de doeltreffendheid te verbeteren en de fondsen te richten op een verbetering van het leven van het Cubaanse volk, door bijvoorbeeld te profiteren van de economische aanpassingen die Raúl Castro nu doorvoert. De mensen helpen zichzelf te helpen dus en niet alleen hen organiseren en mobiliseren om te protesteren. De reactie van USAID was heftig: de programma’s dienden niet om het leven van de Cubanen vandaag te verbeteren maar om hen te helpen een betere toekomst af te dwingen. Een verandering van regime dus.

Net zoals de andere miljoenen dollars voor de omverwerping van de Cubaanse regering, zijn ook deze programma’s er niet in geslaagd om het regime zelfs maar te provoceren. Ze hebben wel geleid tot de arrestatie van Gross en hebben mensen die hulp hebben aanvaard van andere agenten op het eiland in moeilijkheden gebracht. Ons beleid zou moeten gebaseerd zijn op wat doeltreffend is voor de nationale belangen van de VS – een vreedzame, democratische verandering en evolutie – en niet op gratuite provocaties.

Retoriek en activiteiten die het verblijf in de gevangenis verlengen van een onschuldige Amerikaan die blijkbaar het slachtoffer is geworden van de vijftig jaar van Amerikaanse inspanningen om in Cuba een regimewissel af te dwingen, zijn contraproductief. Het is tijd voor het opbergen van de programma’s voor een regimewissel en voor onderhandelingen over de vrijlating van Alan P. Gross.

*Fulton Armstrong werkte rond Cuba als lid van de Nationale Veiligheidsraad onder de regering van Clinton en later als National Intelligence Officer voor Latijns-Amerika en adviseur van de Commissie Binnenlandse Zaken van de Amerikaanse senaat.

bron: The Miami Herald

vertaling: Marina Mommerency