Zestig jaar Chinees-Cubaanse vriendschap en samenwerking

Dit jaar vieren Cuba en China zestig jaar vriendschap en samenwerking, waarbij niet alleen beide landen maar ook het hele Amerikaanse continent voordeel vinden.

Van koelie tot onafhankelijkheidsstrijder

Tussen 1847 en 1874 komen meer dan 150 000 Chinezen in Cuba toe. Ze vervangen er de Afrikaanse slaven en werken er voor een hongerloon in de landbouw. Terugkeren naar China is geen optie meer, en hun gewoonten en tradities verrijken de Cubaanse culturele smeltkroes, met o.a. schilders als Wifredo Lam en Flora Fong. De Cubaans-Chinese gemeenschap zal overigens tot de meest welvarende in Amerika behoren. De ‘China Town’ in Havana behoorde tot de oudste en grootste van Latijns-Amerika, en beschikte als enige over een eigen kerkhof.

Tijdens de onafhankelijkheidsoorlogen strijden de Chinezen aan de zijde van de Cubanen. Een monument in Havana herinnert daaraan en draagt de zin van Gonzalo de Quesada, een vriend van de nationale held José Martí: “Geen enkele Chinees deserteerde, niet een Chinees pleegde verraad”. Armando Choy, Gustavo Chui en Moisés Sio Wong waren generaals van Chinese afkomst in het Cubaanse verzet.

Na de revolutie van 1959 vertrekken vele voormalige winkeliers en restauranthouders onder hen naar de VS. Vandaag telt Cuba naar schatting 20 000 afstammelingen, naast een 300-tal Chinese onderdanen. Tussen 2006 en 2016 studeerden 3584 Chinese studenten in verschillende vakrichtingen af in Cuba.

Wederzijdse erkenning tussen socialistische landen

In april 1959, kort na de overwinning, trekken twee Chinese journalisten naar Cuba en interviewen er Che Guevara. Cuba is het eerste Latijns-Amerikaanse land dat, op 28 september 1960,  diplomatieke relaties aanknoopt met China (en de banden met Taiwan verbreekt).  In november 1960 trekt Che Guevara naar China en ontmoet er in Beijing president Mao Zedong (zie Lorsque Mao et Che se rencontraient). Che ondertekent er de eerste samenwerkingsakkoorden tussen beide landen. Che zal China in 1965 een tweede keer bezoeken.

Tussen toen en nu gaan hooggeplaatste Cubaanse en Chinese leiders bij elkaar op bezoek: president Dorticós in 1961, president Jiang Zemin in 1993, premier Li Peng in 1995, president Hu Jintao in 2004. Fidel Castro kent laatstgenoemde de Orde van José Martí toe. Fidel Castro bezoekt op zijn beurt China in 1995 en 2003, Raúl Castro bezoekt de verre Aziatische buur in 1997, 2005 en 2012, gevolgd door Miguel Díaz Canel in 2013, 2015 en 2018. Bij de dood van Fidel in 2016 gaat de Chinese president Xi Jinping naar de Cubaanse ambassade in Beijing om er zijn medeleven te betuigen, wat nog voor geen enkele andere buitenlander is gebeurd.

Van spanningen tot modelsamenwerking

De jaren zestig van de vorige eeuw zijn een tijdperk van Koude Oorlog en ideologische meningsverschillen tussen de socialistische landen, met name tussen China en de USSR. De meningsverschillen slaan op de weg naar het socialisme (revolutie, gewapende strijd, parlementaire weg), de opbouw van het socialisme (in Oost-Europa en in landen van wat toen de derde wereld heet), de confrontatie met de VS (vreedzame co-existentie of confrontatie) etc. Cuba voert op veel vlakken zijn eigen koers – met name wat de steun aan de bevrijdingsstrijd in de derde wereld betreft – maar behoort in het dispuut tussen China en de USSR wel tot het kamp van de laatste. In 1966 kibbelen Cuba en China over de leveringen van rijst en suiker, en Fidel Castro neemt de persoonsverheerlijking van Mao op de korrel.

In het interview van Fidel Castro aan Ramonet (Cien horas con Fidel, 2006) lezen we hoe Fidel Mao als een grote revolutionair beschouwde, als een van de grote politieke strategen en militaire chefs aller tijden. Maar hij wees ook op de volgens hem fouten van Mao: de persoonsverheerlijking en de culturele revolutie.

Voor het overige had hij alleen maar lof voor de verwezenlijkingen van het Chinese volk en prees hij de betrekkingen tussen China en Cuba en Latijns-Amerika. “De betrekkingen tussen China en Cuba vormen vandaag een voorbeeld van transparantie en vreedzame samenwerking tussen twee naties die de idealen van het socialisme steunen”, zei hij. “De wereld van de 21e eeuw moet rekening houden met China, en zonder haar actieve deelname zal men de grote uitdagingen van de mensheid niet kunnen aanpakken” luidden zijn – wellicht alweer – profetische woorden in het voornoemde interview (dat werd afgenomen tussen 2003 en 2005).

Vanaf 1983 worden de contacten op alle gebieden hersteld en uitgebreid. China verleent leningen en investeert. De handel groeit jaarlijks, goed voor 2 miljard dollar (bijna tien keer meer dan in 1995). Cuba levert suiker, nikkel en rum en zet ook in op onderwijsprogramma’s. China voert dan weer een breed gamma aan van producten voor vrijwel alle sectoren: Chinese tractoren uit Luoyang (provincie Henan), Yutong-bussen en treinen, waaronder de hogesnelheidstrein Havana – Santiago de Cuba, maar ook joint ventures voor onderzoek, productie en verkoop van monoklonale antilichamen die gebruikt worden bij de diagnose en behandeling van kanker, en in de ontwikkeling, productie, registratie en commercialisering van vaccins en hercombineerbare therapeutische proteïnen, met Cubaanse technologie. Er zijn ook projecten rond olieboringen, duurzame energie (zoals het project voor de bouw van een elektrische biomassacentrale in Ciego de Avila waarbij men elektriciteit zal opwekken uit het afval van de suikerindustrie en de maraboe), enz. Jaarlijks bezoeken meer dan 50.000 Chinezen het Caraïbische eiland.

De gezondheidssector is een terrein bij uitstek waarop beide landen samenwerken: na de aardbeving  in 2008 in Wenchuan reisde de internationale Henry Reeve brigade meteen af. En ook Cubaanse oogheelkunde heeft in China al heel wat patiënten geholpen. En uiteraard is er de samenwerking in de bestrijding van de covidpandemie (ook met brigades) en het ontwikkelen van een vaccin.

Op politiek vlak steunt China het eiland tegen de VS-blokkade, verzetten beide landen zich tegen het unilateralisme en de hegemonie van de VS en bevorderen ze de interregionale samenwerking.

China en Latijns-Amerika

De handel tussen China en Latijns-Amerika berust op drie pijlers: aankoop van Latijns-Amerikaanse goederen (vooral grondstoffen), Chinese investeringen en politieke solidariteit met de belangrijkste Latijns-Amerikaanse regeringen. In de laatste twee decennia is China een van de belangrijkste markten voor Latijns-Amerika geworden: in 2019 ging 32% van de Chileense uitvoer naar China, tegen 29% van Peru, 28% van Brazilië, 27% van Uruguay en 10% van Argentinië. Zelfs het Brazilië van Bolsonaro kan de banden met China niet zo maar doorknippen, integendeel zelfs.

De VS belasteren de Chinese investeringen en proberen de Latijns-Amerikaanse landen onder druk te zetten om hun banden met China te verslappen, maar het zet geen zoden aan de dijk. Een onderzoek uit 2019 (Pew survey) toont aan dat 50% van de Mexicanen een gunstig beeld hebben van China, tegen amper 36% ten gunste van de VS; Mexicanen schatten president Xi Jinping hoger in dan Donald Trump. Cuba, Venezuela en Bolivia kunnen op politieke en economische steun van China rekenen.

Het is duidelijk dat een machtige handelspartner als China een steun van formaat is voor de progressieve regeringen in Latijns-Amerika en alle landen die een meer van de VS onafhankelijke koers willen varen. En dat is al helemaal een zeer goede zaak voor een economisch kleine speler als Cuba.